dossierhoofdstuk
Hoofdstuk 5

Dode takken

Alle fossielen waren verwant aan elkaar, dat was duidelijk – maar hoe in vredesnaam?

Louis Leakey zag als een van de weinigen al snel het belang van het kind van Taung. Voor de geschiedenis van de mens moest je in Afrika zijn, begreep de Brit, en dat kwam goed uit, want daar woonde hij al bijna heel zijn leven. Opgegroeid in de Britse kolonie die Kenia nog was, trok hij vaak door de Riftvallei, een enorme breuk in de aardkorst die door heel Oost-Afrika loopt. In 1931 ondernam hij een eerste expeditie naar de Olduvaikloof in Tanzania, een 45 kilometer lange insnijding in de Riftvallei. De rivier die de kloof had uitgeslepen was al lang verdwenen, maar Leakey meende dat het stromende water ooit de perfecte leefomgeving van vroege mensachtigen was geweest.

Zijn geduld – en dat van zijn vrouw Mary, en later dat van hun kinderen – werd danig op de proef gesteld. Elk jaar ging het gezin met helpers terug naar de kloof, en ze vonden ook veel fossielen, maar met uitzondering van welgeteld twee kiezen zat daar nooit iets menselijks bij. Tot 17 juli 1959, de laatste dag van het seizoen van dat jaar. Louis lag met malaria in bed, het kamp werd al afgebroken, toen Mary nog een ommetje maakte. In de ondergaande zon zag ze iets uit de grond steken. Ze keek eens goed, en zag de schedel waar het gezin al bijna drie decennia naar zocht.

Maar ‘dear boy’, zoals Mary de schedel noemde, riep meer vragen op dan hij beantwoordde. Want als de eerder gevonden fors gebouwde aapmens uit Zuid-Afrika robuust mocht heten, dan was deze ‘dear boy’ super-robuust. Zijn tanden waren nog groter, net als de kam bovenop zijn schedel, en hij had enorme jukbeenderen. Tegelijkertijd leek hij in andere opzichten ook op de tengere africanus-soort, waar het kind van Taung toe behoorde. Alle fossielen waren verwant aan elkaar, dat was duidelijk – maar hoe in vredesnaam?

Dat is, kort gezegd, nog steeds onbekend. En om het nog ingewikkelder te maken, is er nog een derde fors gebouwde mensachtige gevonden, die samen met ‘dear boy’ en de Zuid-Afrikaanse robustus in een eigen groep zijn ingedeeld – de ‘Paranthropae’. Het idee is dat ze alle drie doodgelopen takken zijn, als het ware mislukte experimenten die de evolutie met mensachtigen deed.

De ontdekking van ‘dear boy’ is een keerpunt in de paleo-antropologie gebleken. Belangrijk was het besef dat er mensachtigen hadden bestaan die geen voorouder van de moderne mens waren geweest. Maar van minstens even veel belang was het feit dat de Olduvaikloof goed te dateren was, dankzij de destijds fonkelnieuwe ‘kalium-argondatering’ – een methode die met name voor vulkanische gesteenten als in de Riftvallei een revolutie betekenden. Bij een vulkaanuitbarsting wordt onder meer een licht-radioactieve vorm van kalium uitgestoten, dat uiterst traag in het element argon vervalt – na 1,25 miljard jaar is de helft van het kalium veranderd in argon. Door te meten hoeveel van beide elementen een geologische laag bevat, is de ouderdom van die laag goed te bepalen.

‘Dear boy’ bleek 1,7 miljoen jaar oud te zijn, zodat er voor het eerst een realistische kijk kwam op de tijdspanne waarin de evolutie van de mens was verlopen. Algemeen werd aangenomen dat africanus, de ‘Taung-kind-soort’, ouder moest zijn, maar ook die was al meer mens dan aap. Wanneer zou dan de laatste gemeenschappelijke voorouder van mens en aap hebben geleefd?

En trouwens, hoe zat het met die mens? Wanneer verscheen er eens een wezen dat ‘Homo’ mocht heten, ‘mens’, in plaats van ‘zuidelijke aap’? Het was opnieuw de Olduvaikloof die daar antwoord op gaf, zij het dat het een van de ongelukkigste antwoorden uit de paleo-antropologie was.