artikel
Verstuur do 19-11-2009 19:30

Downsyndroom behandelbaar?

Muizen met Down reageren op medicijncocktail

Er wordt steeds meer duidelijk over het syndroom van Down, dat de laatste jaren weer meer voorkomt in ons land. Bij muizen is er zelfs – deels en tijdelijk – iets aan te doen.

Kinderen met het syndroom van Down zijn bij geboorte nog net zo slim of dom als alle andere kinderen. Pas naarmate ze ouder worden, gaan ze achterlopen in hun ontwikkeling. Dat is onder meer het gevolg van een verminderde activiteit in de hippocampus, een deel van de hersenen dat van groot belang is voor het geheugen en het aanleren van nieuwe vaardigheden.

Maar het is mogelijk om de hippocampus te stimuleren, blijkt nu, waardoor de ontwikkelingsachterstand die bij het syndroom hoort voor een deel verdwijnt (Science Translational Medicine, 18 november). Ahmad Salehi van de Stanford University School of Medicine gebruikte voor zijn proefjes weliswaar muizen, maar wel muizen die als gevolg van genetische manipulatie aan een ‘knaagdierversie’ van het Downsyndroom leden. Deze dieren hebben in hun hersenen onder meer een kleinere hoeveelheid norepinephrine, een neurotransmitter die zenuwcellen met elkaar laat communiceren.

Up met I-DOPS
Als de diertjes het medicijn l-threo-dihydroxyphenylserine (l-DOPS) kregen, werd de aanmaak van norepinephrine in hun brein gestimuleerd en verminderden de cognitieve problemen die bij het syndroom horen. Dat was onder meer af te lezen aan het gedrag van de muizen in een nieuwe omgeving. Gezonde muizen beginnen dan al snel met het bouwen van een nieuw nest. Muizen met Down doen dat niet, tenzij hun norepinephrine-niveau is opgekrikt met I-DOPS. Hetzelfde gold voor de ontwikkeling van angstreflexen voor nieuwe bedreigingen – die werden alleen ontwikkeld door met I-DOPS behandelde muizen.

Dat betekent natuurlijk niet dat er nu een oplossing is voor het syndroom van Down. Het onderzoek is immers alleen nog uitgevoerd op muizen, en bovendien was het effect kortstondig – zodra het medicijn was uitgewerkt, vervielen de muizen weer in hun oude gedrag. Het syndroom is tenslotte het gevolg van een extra chromosoom nummer 21, en dat verhelp je niet zomaar.

Maar de resultaten bieden wel een perspectief voor verder onderzoek. Het was al bekend dat een andere neurotransmitter, acetylcholine, ook een stimulerende invloed heeft op de hippocampus. Salehi wil daarom op zoek gaan naar een combinatie van medicijnen die de aanmaak van zowel norepinephrine als acetylcholine stimuleert.

Sprankje hoop
De resultaten geven de (familie van) mensen met Down “een sprankje hoop”, vindt Melanie Manning, directeur van de Down-afdeling van het Amerikaanse kinderziekenhuis Lucile Packard. “Het is zeer opwindend. We hebben nog een lange weg te gaan, maar het zijn interessante resultaten.”

Ook voor veel Nederlanders is dit onderzoek goed nieuws. Want anders dan je misschien zou denken, komt het syndroom van Down de laatste jaren juist weer meer voor in ons land. In 2003 hadden 16 van elke 1000 geboren kinderen in Nederland het syndroom, terwijl het twintig jaar eerder om 10 op de 1000 kinderen ging. En dat terwijl met behulp van een combinatie- of vlokkentest al tussen de negende en de veertiende week van de zwangerschap met 90 tot 95 procent zekerheid kan worden vastgesteld of een ongeboren kind het syndroom heeft.

Als zulke tests uitwijzen dat het kind inderdaad een grote kans op ‘Down’ heeft, kiest 95 procent van de ouders voor abortus. Dat het aantal gevallen toch groeit, heeft te maken met twee factoren: ouders met een grote kinderwens kiezen er vaak bewust voor om de test niet te doen, en Nederlanders nemen op steeds hogere leeftijd kinderen – en hoe ouder de vader en moeder, hoe groter de kans op het syndroom.

Wie weet kunnen ook oudere ouders en mensen met een grote kinderwens in de toekomst de vruchten plukken van I-DOPS of vergelijkbare middelen.

Bouwe van Straten

Ahmad Salehi e.a., ‘Restoration of norepinephrine-modulated contextual memory in a mouse model of Down syndrome’, in: Science Translational Medicine, 18 november 2009.

  • Paulien

    3 februari 2010

    Ik weet niet of het uiterlijk van de kinderen nou het probleem is. Bovendien heb ik begrepen dat er wel wat aan te doen is (oogjes) met plastische chirurgie. Niet dat ik daar zo'n voorstander voor ben maar ik ben wel voorstander voor keuzevrijheid ook hierin. Ik wil nog even aanvullen dat de combinatietest helemaal niet zo'n duidelijke uitslag geeft. Op grond van leeftijd kan je bv een kans van 1 op 300 hebben, en dat kan met zo'n combinatietest verder toegespits worden. Dan heb je bv kans van 1 op 100 of 1 op 1000. Hoeveel weet je dan? Dan moet je alsnog naar een vlokkentest of vruchtwater punctie, met een holle naald gaan prikken met kans op complicaties (miskraam). Dat is geen makkelijke afweging. Er is ook een leuk fotoboek verschenen vorig jaar met foto's en ervaringsverhalen van ouders met een kindje met Down, wat erg ontroerend is. Bedoelt om vooroordelen weg te nemen. Misschien is dat wel een van de dingen die ons als gezonde mensen juist weer verder kunnen helpen in de confrontatie met handicaps, door te genieten van wat er wel is en dat te accepteren. Iets maken van het leven.

  • S.v.L.

    23 november 2009

    Natuurlijk blijft dat hoopvol voor ouders. En wat zou het geweldig zijn als die aanleg voor goed verdween. Maar toch- àls het zou werken,en het kind geholpen kon worden om een normaler leven te leiden, dan nog blijft het uiterlijk van het kind een handicap. En juist door die betere functies natuurlijk ook beter door hen begrepen. Lijkt me tragisch.

Voeg uw reactie toe

  • Uw naam

    E-mail

  • Reageer