artikel
Verstuur wo 30-05-2007 13:28

Toontaal in de genen

Chinees, Swahili of Limburgs moeilijker door genmutatie

Chinees is berucht om zijn vier tonen, waardoor woorden die voor Hollanders hetzelfde klinken, in betekenis variëren van ‘paard’ tot ‘moeder’. Nieuw onderzoek suggereert dat ons westers onbegrip in het DNA ingebakken zit: een genmutatie maakt ons -een heel klein beetje- toontaaldoof. Maar sommige taalkundigen twijfelen.

Iedere baby kan elke taal leren, is een van de bijna-dogma’s van de taalkunde. Ofwel: taal erf je van je ouders door het van ze te leren, hun genen hebben er niets mee te maken. Op die wet lijken Dan Dediu en D. Robert Ladd van de Universiteit van Edinburgh een uitzondering gevonden te hebben: een genmutatie bij Europeanen, Noord-Afrikanen en andere volkeren, die het leren van toontalen moeilijker lijkt te maken.

Een toontaal is een taal waarin de intonatie van lettergrepen uitmaakt voor de betekenis van woorden. In het Mandarijn, ofwel standaard-Chinees, betekent ‘ma’ met een hoge toon ‘moeder’, met een dalende toon ‘uitschelden’ en met nog andere tonen ‘hennep’ of ‘paard’.

Ongeveer de helft van alle talen ter wereld bestaat uit toontalen. Chinees heeft tonen, net als Thais en Vietnamees, maar ook het Afrikaanse Swahili en veel andere talen van Afrika onder de Sahara. Ook Amerikaanse indianentalen zijn nogal eens tonale talen, maar in Europa, het Midden-Oosten en (aboriginal) Australië zijn toontalen zeldzamer (al maken Noors, Zweeds, Litauws en zelfs een Limburgs dialect ook (beperkt) gebruik van tonen).

Misschien hangt die verdeling samen met een heel lichte, erfelijke handicap voor het leren van toontalen bij sommige volkeren, suggereren Dediu en Ladd in het tijdschrift PNAS. Uit genetische databases verzamelden ze genetische informatie over 49 geselecteerde bevolkingsgroepen over de hele wereld, van Palestijnen en Pygmeeën tot Fransen en Han-Chinezen.

Het ging om ongeveer duizend genen, waaronder de genen ASPM en Microcephalin, die een rol spelen bij de aanleg van de hersenen. Deze genen komen bij Europeanen en sommige andere bevolkingsgroepen voor in speciale varianten. De variant die de onderzoekers ASPM-D noemen is volgens genetici pas 5800 jaar oud. MCPH-D, een genetische variant van Microcephalin, zag 37 duizendjaar geleden het licht. In termen van de evolutie van de mens is dat nog maar heel kort geleden.

Daarnaast legden de onderzoekers een lijstje aan van 26 eigenschappen van de talen die de 49 bevolkingsgroepen spreken. Zo werd er bijvoorbeeld geturfd of de taal een of de klank ‘ng’ er in de taal voorkomt en of de taal veel grammaticale uitgangen gebruikt of juist niet. En dus of de taal een toontaal is.

In een gigantische statistische berekening laten de onderzoekers vervolgens zien dat genvarianten wel vaak samenhangen met taaleigenschappen, maar dat dat meestal te verklaren is uit geografische of historische redenen: Aziaten en Europeanen verschillen genetisch gezien nou eenmaal, en dat geldt ook voor hun taalgeschiedenis.

Maar die verklaring was in twee gevallen niet voldoende: MCPH-D en ASPM-D kwamen consequent meer voor bij volken met talen zonder tonen, terwijl de oudere, niet-gemuteerde varianten ASPM en Microcephalin juist vaker te zien zijn bij toontaalsprekers. Dat wijst op een zwakke, maar directe genetische invloed op de taal, denken de onderzoekers. Blijkbaar hebben dragers van de hersengenen ASPM-D en MCPH-D ietsjes meer moeite met toontalen, waardoor deze eigenschap in de loop van de tijd uit de taal verdwenen is. Het gaat zeker niet om een enorme handicap, want ook Europese baby’s kunnen perfect Chinees leren (en andersom).

Eerder was in hersen-scanexperimenten al aangetoond dat de hersenen van mensen die goed zijn in bepaalde kunstmatige toontaal-oefeningen meetbaar verschillen van toontaal-klunzen. Vergelijkbare experimenten, gekoppeld aan genetische tests, zouden uitsluitsel kunnen bieden over het verband tussen genetica en taal.

Overigens betekent de opkomst van de ‘anti-toontaal-genen’ niet per se dat toontalen als Chinees in de evolutie een nadeel zouden zijn, en dus als taal minderwaardig. Waarschijnlijker, stellen de onderzoekers, is er een ander, nog onbekend, voordeel verbonden aan deze gemuteerde genen, dat hun snelle verspreiding verklaart. Het effect op toontalen leren is dan meer een soort bijwerking. Wel suggereert de vondst dat toontalen ouder zijn dan niet-toontalen, en mogelijk pas in de afgelopen tienduizenden jaren vervangen door niet-toontalen.

“Dat toontalen de oudere, standaardoptie zijn, vind ik moeilijk te geloven”, zegt Michael Dunn, een taalkundige aan het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Hij doet statistisch onderzoek doet naar taaleigenschappen en -geschiedenis. “Zo is bijvoorbeeld uit reconstructies bekend dat Chinees vroeger een niet-tonale taal was.”

Ook is het genoemde verband volgens Dunn niet de enige verklaring. “Het gemuteerde Microcephalin komt bovendien overal voor behalve in Afrika, wat meer te maken heeft met migraties van de mens uit Afrika. Maar aangezien veel Afrikaanse talen toontalen zijn, ben je dan al bijna verzekerd van een correlatie. Het is me niet duidelijk hoe je voor dit soort dingen kunt corrigeren.”

Desalniettemin vindt Dunn de ingeslagen weg interessant en zelfs dapper. “Taal is iets wat in onze genen zit ingebakken, dus vroeg of laat zal er een verband tussen genetica en taal gevonden worden, ik weet alleen niet of dit het nou is.”

Bruno van Wayenburg

Dan Dediu en D. Robert Ladd, ‘Linguistic tone is related to the population frequency of the adaptive haplogroups of two brain size genes, ASPM and Microcephalin’, Proceedings of the National Academy of Sciences, 28 mei 2007

Voeg uw reactie toe

  • Uw naam

    E-mail

  • Reageer